De week daarna nog, met het zachte gezoem van de nieuwe wasmachine op de achtergrond, namen ze een besluit. Er moest een noodbudget komen. Niet voor vakanties of leuke gadgets, maar puur voor de dingen die stukgaan of onderhoud nodig hebben als je het niet verwacht.
‘Ik heb het meteen gegoogeld,’ zegt Darryl. Hij pakt zijn telefoon erbij. ‘Kijk. Overal lees je hetzelfde advies: zorg voor een buffer. Maar hoeveel? Wij lazen dat je idealiter 3x je maandlasten achter de hand moet hebben. Dat was zo uitgerekend.’
‘Laten we eerlijk zijn,’ zegt Noor. ‘Onze vaste lasten zijn ongeveer € 1.400 per maand. Huur, energie, verzekeringen, abonnementen, 3 keer dat bedrag is € 4.200. Dat heb je niet zomaar bij elkaar. Waar halen we dat vandaan?’
Het is een veelvoorkomende valkuil: het einddoel lijkt zo groot dat je er niet eens aan begint.
‘We hoefden dat hele bedrag niet de dag erop al te hebben,’ legt Noor uit. ‘We zijn begonnen met € 100 per maand. En we laten dat maandelijks automatisch overmaken. Dat voelt ‘lichter’ dan het zelf maandelijks overmaken. Na een jaar heb je toch al € 1.200. Na 3 jaar zit je al bijna op 4.000 euro. Zeker als je af en toe wat extra’s stort zoals een deel van je vakantiegeld.’
‘Precies', valt Darryl bij. ‘Het gaat om de gewoonte. Die € 100 is niet niks, maar als je dan ziet wat je maandelijks geld uitgeeft, dan merk je wel dat je het kan besparen. Zonder al te zware concessies te moeten doen. En het idee dat dat potje groeit, geeft je ook weer rust.’