Meest voorkomende uitsluitingsgronden van diensttijd vóór 1996

Werknemers missen soms periodes in hun diensttijdoverzicht. Dat kan komen doordat bepaalde periodes van vóór 1996 niet meetellen voor de pensioenopbouw. Onder de ABP-wet werden uitsluitingsgronden bepaald, die aangaven wanneer een werknemer géén ambtenaar was en dus geen pensioen opbouwde bij ABP. We zetten de meest voorkomende redenen hiervoor op een rij. Zo kunt u vragen van uw werknemer beantwoorden.

Waarom was uw werknemer geen ambtenaar volgens de ABP-wet?

De meest voorkomende redenen zijn:

  • de bijzondere arbeidsvoorwaarden
  • de bijzondere aard van de werkzaamheden
  • de omvang van de werkzaamheden (die was te klein of de dienstverhouding duurde te kort)

Wanneer was uw medewerker geen ambtenaar volgens de ABP-wet?

  • als hij betaald of beloond werd per dienstverrichting
  • als hij tijdelijk te werk was gesteld door een overheidsmaatregel om werklozen aan het werk te helpen
  • als hij geen vast basisinkomen had, bijvoorbeeld een 0-urencontract
  • als hij in dienst was vanwege een wetenschappelijke opleiding
  • als hij niet langer dan zes maanden in dienst was
  • als hij als onderwijspersoneel in dienst was voor een vervanging wegens ziekte (wie bijvoorbeeld veel vervangingsperioden in het onderwijs had, maar steeds voor minder dan 6 maanden, werd geen ambtenaar)
  • als de omvang van de werkzaamheden zo klein was dat het inkomen, herleid tot een jaarbedrag, minder was dan 1/3 van het grensbedrag in artikel J12 van de ABP-wet. Dit bedrag is steeds bijgesteld.

Geen pensioenopbouw vóór 25 jaar

Tussen 1-10-1986 en 1-5-1994 telde diensttijd tot de eerste dag van de maand waarin de werknemer 25 jaar werd, niet mee voor het pensioen. Daarover werd dus geen pensioen opgebouwd. Wel waren deelnemers verzekerd ingeval van overlijden of arbeidsongeschiktheid.

Meer informatie

Neem voor meer informatie contact op met uw relatiemanager of ABP Relatiebeheer.

20-09-2019