Berekening ouderdomspensioen tijdens de Abp-wet

Hieronder leest u een beslissing van de Commissie van Beroep. U kunt geen rechten ontlenen aan deze tekst. Om de privacy van onze deelnemers te beschermen, zijn de gebruikte namen niet echt.
Het probleem:
Erik vindt dat ABP een hoger ouderdomspensioen moet toekennen

Erik is van mening dat ABP zijn pensioen te laag heeft vastgesteld. Hij vindt dat ABP de eindloonregeling niet correct heeft uitgevoerd en ten onrechte een franchiseaftrek / AOW-korting toepast.
De situatie:
Voor de hoogte van het pensioen van Erik is de Abp-wet van toepassing

Tot 1 januari 1996 stelde de wetgever de pensioenregeling op en legde deze vast in de Abp-wet. Erik bouwde pensioen op van 1 januari 1966 tot 13 mei 1968. En ook van 1 juni 1970 tot 11 oktober 1984. Er zit meer dan een jaar tussen deze periodes. Daarom moest ABP het pensioen voor elke periode afzonderlijk berekenen naar het eindloon. Dit is het gemiddelde van het feitelijke loon dat Erik verdiende in de op een na laatste twee jaren van elke periode afzonderlijk. In de periode tussen 1966 en 1986 was een (AOW) inbouwsysteem onderdeel van de pensioenopbouw. ABP moest daarom bij de pensioenopbouw verplicht rekening houden met de AOW.

De beslissing:
ABP is niet meer bevoegd te beslissen over de periode voor 1 januari 1996

ABP is op 1 januari 1996 geprivatiseerd. Op deze datum kwam het pensioenreglement in de plaats van de Abp-wet. ABP mag de Abp-wet niet meer toepassen, als een verzoek hiervoor is binnengekomen na 1 januari 1996. De Commissie stelt overigens vast dat ABP het pensioen van Erik juist heeft berekend. Zowel de eindloonberekening over twee aparte periodes als de toepassing van AOW-korting. Ook rekende ABP het pensioen van de Abp-wet op 1 januari 1996 correct om naar het pensioenreglement.