Het ABP, waar anders?

1 juli 2022
Misschien komt het door de tijd waarin ik ben opgegroeid, de jaren zeventig, begin jaren tachtig. Een roerige periode. Een tijd van polarisatie, van scherpe tegenstellingen tussen links en rechts en afbrokkelende zuilen. De tijd van Nederland gidsland en alle kernwapens de wereld uit. Maar ook de tijd waarin de welvaartstaat zoals we die nu nog kennen, steeds meer vorm kreeg.

Misschien komt het ook wel door mijn achtergrond, het gezin waarin ik opgroeide. Mijn vader was een eenvoudige fabrieksarbeider die door de oorlog geen vervolgopleiding kon doen. Op zijn zestiende ging hij - met alleen lagere school op zak - in een steenfabriek werken. 

Begin jaren tachtig ging de fabriek failliet en stond mijn vader op straat. 

We hadden het thuis niet erg breed, zoals dat heet. 

Maar we hadden gelukkig nog wel te eten. 

Vandaag exact honderd jaar geleden werd ABP opgericht. Een eeuw ABP, daar mogen we best trots op zijn. Het pensioenfonds voor ambtenaren en onderwijzers werd opgericht vanuit de gedachte dat je als overheid ook zorg draagt voor je werknemers ná hun actieve loopbaan. Die ouderdomsvoorziening, een bijna vergeten woord, was gestoeld op het idee dat we samen verantwoordelijk voor elkaar zijn. Als werkgevers en als werknemers. 

Solidariteit, collectiviteit: ook dat lijken steeds meer termen uit een voorbije tijd. We leven inmiddels in een eeuw waarin het collectieve wijkt voor het individuele. Draagvlak voor politieke partijen of vakbonden brokkelt steeds verder af, sociale cohesie staat onder druk. Marktwerking, neoliberalisme, privatisering: het waren populaire begrippen de afgelopen twintig jaar.

Misschien komt het inderdaad door mijn jeugd, maar het idee dat je zorg draagt voor elkaar en je medeverantwoordelijk voelt voor een ander vind ik een heel groot goed. Het is een teken van beschaving dat werkgevers niet alleen kijken naar de waan van het nu, de winst van morgen of het belang van de aandeelhouder. Zorg voor werknemers, is zorg voor de samenleving.

We hebben het in Nederland op tal van vlakken collectief goed geregeld. In de gezondheidszorg, als het gaat om onze sociale voorzieningen. En dat geldt ook voor ons pensioenstelsel. Het is misschien niet perfect, maar het is desondanks een van de allerbeste stelsels van de wereld. Armoede onder ouderen bijvoorbeeld komt in de ons omringende landen vele malen vaker voor dan hier. En dat is te danken aan de twee stevige pijlers onder ons pensioenstelsel, de AOW en het geld dat u zelf spaart door te werken. 

Behoeft dat stelsel aanpassing? Moeten er zaken veranderen? Zeker. Dat geldt voor het stelsel als zodanig en dat geldt voor ABP. Want ook als je honderd bent moet je met je tijd mee.

Voorwaarts. 

En vlug een beetje. 

Collectiviteit en solidariteit – de onderliggende waarden bij de oprichting van het ABP - blijven daarbij ook in de toekomst pal overeind als richtinggevend principe. Dat zal ik tot mijn laatste snik verdedigen. Maar er is een forse herijking nodig - om er maar eens een ambtelijk begrip te gooien – van die waarden. De collectiviteit van voorheen past niet meer op de arbeidsmarkt van nu. Veertig jaar bij een baas werken: dat is steeds meer iets van vroeger. Vaste arbeidscontracten worden vervangen voor flexibele. Eigen baas zijn is blijvend populair.

Het nieuwe stelsel komt op een aantal punten zeker tegemoet aan de veranderingen op de arbeidsmarkt. Iedereen krijgt immers zijn eigen pensioenpot. De doorsneesystematiek - vergeet dat woord meteen weer - verdwijnt. Wat kort neerkomt op: het geld wordt eerlijker verdeeld over de generaties. 

Maar er zijn nog witte vlekken. Een pensioen voor zelfstandigen bijvoorbeeld, dat moet er komen. Voor de vrije vogels, de autonome zelfstandigen die nu een goeie boterham verdienen maar niet voor later sparen, en voor de vogelvrijen: de flexwerkers aan de marge van de arbeidsmarkt. Daar moet een oplossing voor gevonden worden, creativiteit en buiten het kader denken is daarvoor noodzakelijk. De uitdaging daarbij is dat traditionele instituties zoals vakbonden zich minder vertegenwoordigd zien en het nog onduidelijk is hoe de polder zich gaat organiseren. Welke netwerken, welke belangengroepen nemen taken van oude instituten over? In mijn optiek kan en moet een groot pensioenfonds als ABP zichzelf opnieuw uitvinden, nieuwe partijen met elkaar verbinden en een actieve rol spelen in deze zoektocht naar nieuwe vormen van collectiviteit en solidariteit. 

En dat zeg ik. Zoon van een ongeschoolde fabrieksarbeider. 

Na zijn ontslag, ging mijn vader aan het werk bij een school. Als conciërge, al was hij in werkelijkheid vooral schoonmaker. Aan zijn jaren bij de steenfabriek hield hij een maandelijkse pensioenuitkering van maar liefst tien gulden over. Zijn werk als conciërge leverde hem nog een klein aanvullend pensioentje op. 

Een pensioentje bij het ABP. 

Waar anders?